Co-ouderschap is als zodanig op dit moment niet in de wet geregeld omdat de wet alleen uitgaat van begrippen als het gezag, hoofdverblijf en omgang. Bij co-ouderschap geldt als uitgangspunt dat de kinderen feitelijk bij beide ouders verblijven en de zorg feitelijk en financieel zoveel mogelijk wordt verdeeld. Juridisch geldt formeel nog steeds als uitgangspunt dat er een hoofdverblijf voor de kinderen moet worden bepaald maar voor de rest is de invulling van het co-ouderschap staat vrij. U heeft beiden het gezag en vanuit die gezagspositie geeft U vorm aan het feitelijk contact tussen U als ouder en de kinderen. Van belang is wel dat er een goede communicatie is en afspraken strak worden nageleefd. Een slecht ouderschap zorgt voor onrust en onduidelijkheid naar de kinderen toe en bij een slechte relatie is een duidelijke omgangsregeling een beter alternatief.
Bij co-ouderschap moeten er op de eerste plaats natuurlijks afspraken worden gemaakt over de frequentie waarin kinderen bij de ene of de andere ouder verblijven. Ook is het mogelijk de kinderen daarin deels vrij te laten maar die vrijheid moet dan wel worden verwerkt in de financiële afspraken.
Het financiële aspect is de tweede belangrijke hoofdmoot. Hoe worden de zorgkosten verdeeld. Zoals wellicht bekend wordt bij het bepalen van kinderalimentatie gewerkt met tremanormen. Deze normen gaan nog uit vanuit het traditionele model waarin een van de ouders primair is belast met de verzorging en opvoeding en de ander alimentatie betaalt. De hoogte van de alimentatie is hierbij dan afhankelijkheid van de op eerste plaats de behoefte van de kinderen en vervolgens de draagkracht van de ouders. In de huidige tijd speelt hierbij mee dat in de meeste gevallen beide ouders inkomen hebben en speelt de derde stap waarin moet worden bepaald hoeveel iedere ouder bijdraagt.
Voor het bepalen van de behoefte kunt U natuurlijk concreet gaan berekenen hoeveel de kinderen per maand kosten. U telt simpelweg alle posten op, trekt daar de kinderbijslag van af en het saldo bepaalt de kosten die in aanmerking moeten worden genomen. In de juridische praktijk wordt doorgaans gewerkt met normtabellen. zoals die ook door een rechter worden gehanteerd bij het bepalen van de behoefte. U vindt deze op:
http://www.rechtspraak.nl/NR/rdonlyres/440CE9A5-6F81-47F5-AFC5-7AB81B3738B0/0/bijlage2008eerstehelft.pdf
Op pagina 10 staan de tabellen aan de hand waarvan kan worden bekeken bij welk inkomen hoeveel aan de kinderen wordt uitgegeven. De liefhebbers kunnen een toelichting op dit rapport vinden op:
http://www.rechtspraak.nl/NR/rdonlyres/B904BAF7-E740-4612-A0AA-8B69872F7B01/0/rapportkostenkknsept2006.pdf
Van belang is om er rekening mee te houden dat er na een echtscheiding twee gescheiden huishoudens worden gevoerd en een vuistregel is om de eerder vastgestelde behoefte te verhogen met 16% in verband met de extra kosten. Dit levert het volgende voorbeeld op.
Tijdens het huwelijk had de man een netto inkomen van 2000 en de vrouw 1000. Er zijn twee kinderen tussen 6 en 11 jaar. De twee kinderen leveren 8 punten op en in de tabel voor 2 kinderen levert dit bij een gezamenlijk netto-inkomen van € 3000,00 een bedrag op van € 670,00 aan b ehoefte. Dit bedrag is overigens geen vaststaand gegeven omdat in de tabellen een ruime bandbreedte is opgenomen. Bij dit bedrag moet dan 16% (€ 107) worden opgeteld om de behoefte na de scheiding te benaderen. De totale behoefte is derhalve € 777,20.
Aan de inkomstenkant geldt vervolgens dat creatief moet worden geschoven met het hoofdverblijf van de kinderen omdat voor het recht op toeslagen en heffingskortingen voor de belastingdienst in veel gevallen bepalend is of een kind bij U staat ingeschreven. Alleen bij de combinatiekortingen maakt het niet uit.
Bij een scheiding spelen de volgende toeslagen en aftrekposten:
Kinderbijslag: Deze is niet afhankelijk van de leeftijd en de woonplaats van het kind. Kindertoeslag: hiervoor moet een kind op Uw adres staan ingeschreven en de hoogte is afhankelijk van Uw inkomen.Combinatiekorting: deze is niet woonplaatsgebonden maar het kind moet jonger dan 12 zijnAanvullende combinatiekorting: van toepassing bij een recht op combinatiekortingAlleenstaande ouderkorting: geen fiscale partner en inwonend kind jonger dan 27 jaar Aanvullende alleenstaande geen fiscale ouderkorting inwonend kind jonger dan 16Forfaitaire aftrek kinderalimentatie Het uitgangspunt is verder dat er geen nieuwe fiscale partner is. Op het moment dat deze zijn of haar intreden doet, moeten de afspraken opnieuw tegen het licht worden gehouden.
Bij meer kinderen is het dus voordelig het hoofdverblijf van de kinderen te spreiden en hierbij rekening te houden met de voorwaarden die gelden voor de kortingen. Bepalende voorwaarden zijn de leeftijd van de kinderen omdat bij de combinatiekorting een kind maximaal 12 jaar mag zijn en bij de aanvullende ouderkorting maximaal 16. Bijkomend aspect is de hoogte van het inkomen omdat de aanvullende ouderkorting een percentage is van 4,3% van het belastbaar inkomen met een maximum van 1437 in 2008.
Bij twee kinderen kan het dus zinvol zijn om het ene kind bij de ene ouder in te schrijven en het andere kind bij de ander. Voor het inwonende kind kan dan worden geprofiteerd van de kinderbijslag, de kindertoeslag en de kortingen en voor het ‘ uitwonende’ kind kan worden geprofiteerd van de forfaitaire aftrek voor kinderalimentatie.
Het kan dus financieel voordelig zijn om de (aanvullende) ouder korting te laten toevallen aan een ouder met een hoog inkomen en daar het hoofdverblijf op af te stemmen. De hoogte van het inkomen is ook bepalend bij de kindertoeslag alleen werkt de hoogte hier minder scherp door. Dit levert als vuistregel op dat kinderen tot 16 jaar beter bij de meest verdienende ouder ingeschreven kunnen staan.
Bij de benadering van de inkomens na de echtscheiding en het bepalen van de draagkracht kunnen deze posten dus bij het inkomen worden opgeteld. De volgende vraag is vervolgens wie wat gaat betalen. Van beide ouders moet vervolgens een draagkrachtberekening worden gemaakt met als uitgangspunt de alleenstaandenorm. Indien er een kind staat ingeschreven wordt rekening gehouden met de norm voor een eenoudergezin. Van het draagkracht inkomen kan dan 60% in aanmerking worden genomen voor de bijdrage. Naar rato van ieders beschikbaar inkomen kan dan de verdeelsleutel worden bepaald.
|